Don Cherry & Latif Khan - Muziek / Sangam (Uitgave 2025)
LABEL: Heavenly Sweetness180 gram, 2025 HERPERSING Dit album werd in 1978 in Parijs opgenomen en in 1981 alleen in Frankrijk uitgebracht. Dat was de eerste ontmoeting tussen Don Cherry en de Indiase slagwerker Latif Khan, en het resultaat is een ongelooflijke vermenging van jazz en Indiase muziek. Dit ondergewaardeerde album is alleen bekend bij de meest toegewijde liefhebbers van Don Cherry, die het als een van zijn beste prestaties beschouwden. Don Cherry, gewapend met een onverzadigbare muzikale honger en grenzeloze verbeeldingskracht, maakte voor het eerst naam — al werd hij niet altijd volledig begrepen — naast Ornette Coleman, op trompet of kornet. In Los Angeles en daarna New York stond hij in het hart van een vernieuwende benadering van improvisatie die uitging van melodie in plaats van harmonie, later gedoopt tot ‘vrije jazz’, de laatste structurele ontwikkeling van de Amerikaanse jazz. Gaandeweg werd hij een voorvechter van onwaarschijnlijke versmeltingen — en nam hij geleidelijk in zijn stijl een hele reeks ‘uitheemse’ instrumenten op, en vooral de culturen waaruit ze voortkwamen. Daaronder: India, Brazilië, Afrika, Indonesië en zelfs China. De tijd was rijp voor het ontstaan van ‘wereldmuziek’: achteraf bezien een lappendeken rijk aan verbeelding en verleiding, maar zodra de nieuwigheid eraf was, vaak arm aan inhoud. In het geval van Don Cherry ging de toewijding echter diep — verbonden met zijn persoonlijke betrokkenheid bij een wereldomvattende visie op kunst en de menselijke gesteldheid. Niets vrijblijvends. Men kan zich afvragen hoe zijn familieachtergrond deze buitengewone openheid van geest heeft gevormd. Maar het talent? Dat was geheel het zijne.
Ustad Ahmed Latif Khan, uit de Delhi gharana (een muzikale afstammingslijn), maakte deel uit van een nieuwe generatie begeleiders — slagwerkers, sarangispelers, fluitisten, enzovoort — die zowel de technische als de begripsmatige mogelijkheden van hun voorgangers hadden verruimd om erkenning te krijgen als solisten en al snel de stap naar het internationale toneel te zetten. Onder hen viel Latif op door zijn voorliefde voor onregelmatige, sterk gesyncopeerde ritmische patronen — rijk aan afwisseling en oorspronkelijkheid. Don en Latif hadden elkaar vóór de opnamesessie nooit ontmoet, maar de twee herkenden elkaar al snel als geestverwanten — kalm, geconcentreerd… en vol gelach. Don wist duidelijk wat hij wilde maken, en niets leek een uitdaging te vormen voor Latif, die de bedoelingen van de Amerikaan meteen begreep, zijn vingers in verbazingwekkend tempo opwarmde en, met zijn volmaakte gehoor, vanzelf de rol op zich nam om Dons uiteenlopende verzameling instrumenten te stemmen op wat er maar in de studio aanwezig was — van concertvleugel en Hammond B3-orgel tot chromatische orkestpauken.